Reisverslag Djibouti
Paul de Boer
In September ben ik met familie Butter, Rene en Claudia en mijn duikbuddy van vorig jaar, Rob, naar Djibouti geweest om een weekje te duiken. Djibouti is een klein landje wat ingeklemd ligt tussen Ethiopië en Somalië aan de Golf van Aden, wat een overgang vormt tussen de Rode Zee en de Indische Oceaan. Wij gingen duiken rond de afgelegen Seven Brothers eilanden in de straat van Bab el Mandeb, vlakbij Jemen. De eilanden vormen een marine park met unieke soorten koraal.

Er wonen 470.000 mensen met een gemiddelde levensverwachting van 51 jaar, en het land heeft totaal geen landbouw cultuur, enkel woestijn.

Het heetste plekje van Afrika ligt in Djibouti: Lac Assal, een zoutmeer waar het tegen de 60 graden Celsius is. Dit gebied is gevormd door vulkanische activiteit en botsing en verzakking van de continenten. Er zijn 2 volksstammen: Afars en Issas en het zijn voornamelijk vissers of nomaden die wat geiten hoeden en in tentjes wonen of onder een boom en een cirkeltje van stenen wonen. Tegenwoordig is men iets moderner en zie je ook stenen huisjes met golfplaat en autobanden als dak. Ook zie je in de steden oude koloniale huizen van de Franse overheersers van vroeger. Het land wordt nog steeds beschermd door Frankrijk: er zijn permanent 2800 Franse Legionairs gestationeerd op dit strategische punt midden in een onrustige regio. Tegenwoordig zitten er ook Amerikanen die de regio controleren.

 


We vertrokken vanuit Alkmaar met de trein richting Paris-CDG en vlogen vandaar in 7 uur naar Djibouti airport waar we in een heksenketel onze koffers moesten vinden. Er waren namelijk 2 lopende banden die ieder een andere kant opgingen, en verder was de hal veel te klein. Nadat we met onze zware koffers in de hand het gat hadden ontweken, dat recht voor de uitgang van de luchthaven in de grond was uitgehakt, werden we naar de boot gebracht. Er was slechts een mededuiker aan Boord: John the Lawyer, een Australiër. We vertrokken richting Musha eiland om een checkduik te maken waarbij we al gauw doorhadden dat de duikgids een irritant apparaatje had waarmee hij de hele tijd op zijn fles tikte om ons te roepen: “Dus…zoveel mogelijk die duikgids vermijden, want ik ben geen zeehond die uitgelaten wil worden!”. Daarna doorgevaren richting Obock om daar een wandeling te maken door woonwijken, gemaakt van golfplaten, waar mensen op een vuurtje eten aan het koken waren: “Scheelt wel een hoge hypotheek!”. We sliepen ’s avonds op de “Savruga”, onze boot.



Rob en Martijn bereiden zich voor op een duik. Op het voordek was het soms behelpen, en mijn god, wat heb ik mijn kop vaak gestoten tegen de mast!

Op het achterdek was het in de schaduw prima uit te houden, en ’s avonds sliepen we hier buiten omdat de airco binnen kapot was.


De zeilboot was 24 meter lang en had plaats voor 12 duikers, terwijl we gelukkig maar met 8 man waren. Het was soms een heel gedoe om met je uitrusting in het kleine bootje over te klimmen waarmee we naar het rif gebracht werden. De stroom en het water waren vaak uitgeschakeld, en de airco was stuk, dus mijn hut werd voornamelijk gebruikt door de kakkerlakken die zichzelf hadden uitgenodigd. De hygiëne was verder goed, want niemand had last van lekkende sluitspieren.


Ibrahim ‘Muga’ toont trots een enorme reuzenbaars (Epinephelus Lanceolatus), die door zijn Jemenitische vrienden gevangen is. Dit monster kan 260 cm lang worden en meer dan 400 kg wegen. Muga is an-alfabeet, maar heeft wel een 3 sters cmas brevet, en hij kent als voorzitter van de visvereniging van Obock iedere visser uit de buurt. Eigenlijk was hij de echte divemaster omdat hij ieder rif kende. Later kwamen we tijdens het duiken zo’n zelfde baars tegen … wauw!

Het kauwen op Khat bladeren
(Catha edulis) is de nationale volkssport van Djibouti. De hele economie draait om Khat. In de stad bedelen mensen om geld zodat ze Khat kunnen kopen. Je wordt er alert van, krijgt energie en bij langer gebruik ervaar je een constante euforie. Muga was dan ook vaak aan het zingen tijdens het varen in zijn boot. Muga kocht voor mij ook een portie Khat; zodat ik de uitwerking een keer kon ervaren. De kater kreeg ik vooraf: het spul is heel bitter, en je krijgt dus een vieze smaak in je mond. Het effect lijkt op hele sterke koffie. Volgende dag nergens last van, wel 10$ armer.



 

 
Het eten aan boord vond ik persoonlijk prima hoewel er minder variatie was dan op Egyptische boten. We kregen vaak rijst met verse vis die door Muga gevangen was. De kok kwam uit India dus de gerechten waren vaak een oosters mysterie. Het toetje bestond uit vanille custard met klontjes, en wat niet werd opgegeten, werd de volgende maaltijd gemengd met chocolade custard met klontjes, volgende dag een blik met peren op sap erdoorheen, een dag custard met klontjes en rozijnen, en nog een dag custard met klontjes en kokos. Huub huub huub… custard truc!


Dit soort clownsvisjes zijn onvermijdelijk in de Rode Zee, dus ook in Djibouti. De anemonen bestreken soms enkele vierkante meters. Alle onderwater fotos zijn gemaakt door Claudia met de geleende camera van Willem Butter.
Het duiken verliep ook anders dan op Egyptische boten, want hier kon je niet van het achterdek duiken maar je moest over de rand klimmen in een klein bootje waarmee we soms in een half uur over de ruige zee naar de duikstek vaarden. We hadden ons duikpak dan al aan terwijl de moordende zon op ons lijf brandde. Het water was gemiddeld 31 graden, terwijl ik bij een duik 33 graden op mijn computer had staan. Ik dook dus steeds in T-shirt en korte broek tot we in een thermocline terechtkwamen tijdens een duik rond het zuideiland, La Marche: het was net een muur waar je tegen aanzwom, het was plotsklaps maar 20 graden! Daarna voor de zekerheid mijn 3 mm aangedaan ondanks de hitte tijdens de boottocht. Het zicht was soms net als bij een goede Noordzee duik door al het plankton in het water, hier kwamen wel veel grote vissen op af: Manta’s! De koralen groeiden vaak alleen op de eerste 20 meter, dieper was het zand en rotsen. De gids dook liever dieper in de hoop een haai te zien.
Bij het meest zuidelijke eiland, La Marche, hebben we op eigen verzoek maar liefst 5 keer gedoken omdat hier de meest bijzondere dingen te zien waren. Vaak kreeg ik grote slokken zeewater binnen als mijn mond weer eens open viel van verbazing. Hier zag ik een reuzenbaars zoals die door Muga was gevangen; we werden omsingeld door een enorme school barracuda’s en we zagen in de verte een school van honderden manta’s voorbij zwemmen. Alsof dat nog niet genoeg was zagen we hier roggen zo groot als een eettafel en een joekel van een bontgekleurde Napoleon.


Een Lionfish of koraalduivel.


Een blue spotted stingray.

Op internet had ik al een artikel gelezen waarin gezegd werd dat de riffen rond de Seven Brother eilanden soms geel gekleurd waren van de vis, maar dit maakten we pas mee in de “Chinese tuin”. Hier zag je echt alleen maar gele vissen zo ver je keek. Je moest ze letterlijk wegjagen om andere rifbaarzen en langoestes te kunnen bekijken. Hier lag ook een flinke verpleegsterhaai te slapen en ik zag een krokodilvis en een paar schuwe Napoleons.


Zeester.


Verse vis in de “Chinese tuin”.

 

Tijdens een nachtduik in de “Japanse tuin”, een rif dat bekend staat om zijn unieke soorten koraal, waren we getuige van het “coral spawning”; de voortplanting van koraal. Een keer per jaar in september met volle maan stoot het koraal dan zaad en eitjes af die door de stroming mee worden gevoerd, en hopelijk nieuw koraal gaan vormen

 

Na een week kwam het eind van deze natte droom vakantie in zicht en begaven we ons richting Obock om daar nog twee mooie wrakduiken te maken plus een duik naar een afgrond met waaierkoraal. Onderweg zagen we nog een walvishaai zwemmen, wat in de golf van Tadjourah vaak voorkomt. De walvishaaien werpen hier hun jongen, en je kunt ook dagexcursies boeken om met ze te snorkelen. De afgrond met waaierkoraal konden Rob en ik niet vinden, en we verdwaalden op een grote zandvlakte. De eerste wrakduik was op een houten schip volgeladen met oude waterketels, en de tweede duik was op een enorm vrachtschip, waarbij de Savruga dus zijn anker verspeelde. Door al het gedoe kwamen we bijna te laat bij de haven binnen waar we de laatste nacht aan boord van de boot zouden doorbrengen. We gingen in de stad Yemenitisch eten waarbij de vis boven een houtsvuurtje wordt gegrilled en met blote handen wordt opgegeten. De laatste dag kregen we nog een excursie naar Lac Assal, een zoutmeer en tevens de heetste plek van Afrika. Onderweg zagen we wat apen en drommedarissen langs de weg, en we konden genieten van het Afrikaanse landschap.

 



Een van de vele krotwoningen die we zagen.

  

Zeg weet jij hoe zout de zee is? 

Nee! 

Ok. Dan vraag ik het wel aan een andere kwal!

 

Na het bezoek aan Lac Assal, werden we naar het vliegveld gebracht en kwam er een einde aan deze vakantie.

 

Groeten van Paul